Ik, Bernadette, ben geboren in de Gonggrijpstraat en kan je daarom een paar verhalen vertellen, want iedereen weet dat het in de Gonggrijpstraat spookt. Onder die witte brug bijvoorbeeld hoorde je heel vroeger's nachts een baby huilen. Mijn vader heeft me verteld dat hij en een paar dappere vrienden van hem een keer zijn gaan kijken. Ze schenen met flashlights, je weet wel: zaklantaarns, op het donkere water maar er was niets te zien...

Soms kwam er 's avonds in onze straat een kleine vrouw, die om haar as tolde en heel rare geluiden maakte: Hoei-woei, hoei-woei... We sloten dan snel alle deuren en ramen en niemand van ons mocht naar buiten kijken. Onthoud dat goed: je mag nooit gaan kijken als je een geest hoort. Hugo, mijn neef, heeft me verteld dat je een nagel van een geest in je oog krijgt, als je door een kier toch naar hem gluurt. Als het donker is en je hoort buiten een vreemde stem die je naam roept, dan moet je antwoorden:
Ik ben stenen aan het koken
Ik kom als ze zacht zijn
Mie bori ston
Te den safu, rni sa kon.
Zo, dat is een goede reden om niet naar buiten te gaan: die stenen worden natuurlijk nooit zacht. Dat je beter binnen kunt zijn als het donker is, weet iedereen, en natuurlijk moet je ervoor zorgen nooit om twaalf uur 's nachts op straat te zijn, want op dat uur komen de geesten hun graf uit. Op Spanhoek, in het centrum van Paramaribo, hoor je bijvoorbeeld om twaalf uur 's nachts een verschrikkelijk lawaai van kettingen die rinkelen. Dat is de Duivel die daar is neergedaald en er rondloopt om mensen mee te nemen.
Soms hebben mensen niet eens direct door dat ze tegenover een geest staan, terwijl het toch niet zo moeilijk is hem te herkennen. Hij lijkt op een mens, maar meestal zweeft hij een eindje boven de grond of... Nee, wacht, dat vertel ik je straks. Ik moet opeens aan een ander verhaal denken. Luister!
Vele jaren geleden leefde er op een katoenplantage een man, voor wie iedereen, jong en oud, groot en klein, bang was. Zelfs de kippen, honden en geiten waagden zich niet op het erf van Oom, zoals hij werd genoemd.
Op een dag moest Oom voor een week naar een andere plantage. Ik weet niet waarom, maar ik heb gehoord dat Oom alles wat hij op dat moment in huis had, bij elkaar zette op een tafel in zijn keuken: een kan zout, een pak suiker, cacao, bakkeljauw en olie. Toen plaatste hij ook nog al zijn potten en pannen op die tafel. Ten slotte zocht hij al zijn gereedschap bij elkaar en legde dat naast de tafel. Daarna vertrok hij.