Van buiten leek het een gewoon gezin. Een huis, twee ouders, kinderen aan tafel. Van binnen leefde ik in stilte. Tussen mijn veertiende en twintigste jaar gebeurde er ’s nachts iets waar ik geen woorden voor had. Mijn vader kwam mijn kamer binnen en kroop onder mijn deken. Ik zei geen nee, maar ik zei ook geen ja. Ik verstijfde. Niet omdat ik het wilde, maar omdat ik geen uitweg zag.

Ik woonde nog thuis en was volledig afhankelijk van mijn ouders. Alles wat ik verdiende, werd afgepakt. Weggaan was geen optie. Vluchten bestond alleen in mijn hoofd. Mijn moeder was er altijd, maar toch ook niet. Ze wist wat er speelde, omdat ik op school iemand had verteld wat er gebeurde. Jeugdzorg kwam zelfs langs. Toch koos zij ervoor om niets te zien. Of niets te geloven.
Table of contents [Show]
Toen het mis bleef gaan
Aan het einde van mijn studie ging het steeds slechter met mij. Ik mocht mijn opleiding niet afmaken en zat daardoor constant thuis. Dicht bij mijn vader. Elke dag voelde als een herhaling van angst. Mijn lichaam was altijd gespannen, mijn hoofd nooit stil. Op een moment besefte ik dat ik dit niet meer alleen kon dragen. Ik trok aan de bel en maakte een afspraak bij de huisarts.
Gezien zonder woorden
Mijn huisarts had al langer het gevoel dat er iets niet klopte. Ze zag het in mijn houding, mijn schrikreacties, de manier waarop ik altijd alert was. Ik durfde niemand dichtbij te laten komen. Zij was degene die voorzichtig vroeg of ik misschien misbruik meemaakte. Zelfs toen twijfelde ik of ik de waarheid moest vertellen. Maar dat zij het benoemde, gaf me toestemming om eindelijk te spreken.